Geschiedenis van joods Winterswijk

Omstreeks 1647 woonden Michel Michels, David de Jode en Jacob Levij in Winterswijk. Zij betaalden elk 12 stuivers aan verpondingsrechten. Het waren waarschijnlijk de eerste joden die ter plaatse verbleven.

Uit de 17e eeuw zijn talloze notities bewaard gebleven. Zie het boek: “Het oude volk” van Hans Kooger.

Rond 1810 is de Joodse gemeenschap uitgegroeide tot circa 50 mensen. Op 16 oktober 1811 worden joden verplicht een vaste voor en achternaam op te geven bij het gemeentehuis. Elf joodse mannen laten zich registreren op het gemeentehuis van Winterswijk.

Het was niet altijd rustig in de Winterswijkse joodse gemeenschap. Zo laaiden de emotie in 1814 zo hoog op dat ze uitmondden in knokpartijen. Acht leden krijgen boetes wegens buren gerucht. De acht familie die tezamen 37 kinderen hebben en waarvan er 12 godsdienstles krijgen van Salomom de Jonc. Parnas Cohen schrijft: dat de kinderen nog maar weinig geleerd hebben en dat er een of twee een beetje kunnen rekenen. ( dat hebben ze geleerd op) ”eene publieke school”

Tot 1847 komt de gemeenschap bijeen in huis sjoeltjes Sjoel is de Jiddische benaming voor synagoge. Een van de leden ging in de dienst voor er is nog geen gazan (voorganger). Er zijn wel twee kerkenraadsleden (manhigim) dat is voorgeschreven door het Franse bestuur. De laatste huissjoel is in de woonkamer van de van Bingens aan de Breedevoortsche straat (nu Misterstraat).

 

Veehandelaren (l) Ernst Wolf en Salli Schwarz (r)

Beroepen

Rond 1813 wonen er 12 joodse families in Winterswijk. De beroepen die zij uitoefenen: Uitdrager, koopman, kruidenier, slager, beestensnijder, eierkoopman en dhr. Barent Berendsen is de voorzanger in de synagoge. Barent Berendsen blijkt zo’n beetje de armste jood van de gemeenschap te zijn. Parnas Cohen heeft hierover een brief gestuurd naar het opperconsistorie. Waarin hij het volgende schrijft. “ zijn pensioen is godbetert zoo klein” en “daarbovenuit onze armenbus geheel en al van geen penning voorzien. Het is dus kennelijk heel moeilijk om de voorzanger te betalen, die een karig pensioen heeft en bovendien wegens ziekte thuis zit.

 

Slagerij Blom

 

Samuel Berendsen,krijgt op zijn 27e een patent als inlands kramer. Hij trekt met textielgoederen door de streek. In Lichtenvoorde komt hij op 23 augustus 1827met zijn handelswaar bij logement Weijenberg terecht. Hij sleepte het volgende met zich mee. 100 el manchester 100 el katoen25 zijden doeken 50 katoenen doeken 30 vesten. Hij verkoopt slechts voor 5 gulden katoen en manchester.

 

Moeder en dochter Poppers, kort voor hun deportatie

 

De familie Poppers doet het beter, zij komen omstreeks 1800 in de Achterhoek wonen. Meier Simon Poppers begint in 1813 een kruideniers winkel. In 1817 wordt Meier Simon Poppers bestuurder van de joodse gemeenschap. Zijn zonen Salomon en Asser handelen omstreeks 1850 in garens. Zij exploiteerden in 1864 een weverij. De gebroeders Poppers verkopen hun stof op de nationale markt en deels ook in Nederland oost Indië.

Veel joden verdienen hun geld in de veehandel huidenhandel en kleine slagerijtjes. De gemeenschap groeit uit tot de grootste van de Achterhoek.

Er is een rijk verenigingsleven

 

Joodse toneelvereniging 'Ons Genoegen' in 1930

De toneelvereniging "Ons genoegen" wordt in 1905 opgericht. Joodse jongeren vereniging, het joodse slagers elftal en een badminton vereniging. Er zijn regelmatig feesten en er wordt volop muziek gemaakt en gedanst.

 

Oorlogsjaren

Op 10 januari 1941 moesten alle joden ouder dan 8 jaar zich op het gemeentehuis laten registreren in Winterswijk woonden toen 287 joden waarvan 42 Duitse vluchtelingen. voor het uitgebreide verhaal over de oorlogsjaren verwijs ik naar het boek "Het oude volk"van Hans Kooger (zie webshop).

Na de oorlog

Slechts 10 procent van de joodse Winterswijkers overleeft de oorlog en keren terug naar Winterswijk. Zij proberen het leven weer op te pakken. Kinderen van deze overlevers trekken weg uit Winterswijk, Israël is voor deze generatie het grote ideaal.